MONITOR DE BIESTKWALITEIT MET EEN BRIX METER

Refractometer om de brixwaarde van biest te bepalen

Biest: het is van levensbelang voor pasgeboren lammeren. Nieuw onderzoek toont aan dat een Brix meter (al veel gebruikt op melkveebedrijven) ook uitstekend te gebruiken is bij schapen.

Antilichamen in de biest
Een lam wordt geboren zonder antilichamen. De eerste melk van een ooi (biest) zit als het goed is boordevol antilichamen. De eerste 24 tot 48 uur na de geboorte staat de darmwand van een lam nog een beetje open. Zo kunnen antilichamen vanuit de biest opgenomen worden in het bloed van het lam. Hoe meer biest een lam opneemt, des te meer antilichamen er in het bloed van het lam terecht komen. Maar nog belangrijker dan de hoeveelheid biest is misschien wel de kwaliteit van de biest.

Factoren die de kwaliteit van de biest beïnvloeden
Via vaccinatie van de moeder kunnen specifieke antilichamen in extra hoge concentraties in de biest terecht komen. Dit is bijvoorbeeld heel effectief om de hoeveelheid antilichamen tegen clostridium soorten (die bijvoorbeeld de ziekte 'het bloed' veroorzaken) te verhogen. Antilichamen tegen bijvoorbeeld pasteurella (een bacterie die longontsteking kan veroorzaken) komen overigens vrijwel niet in de biest. Het is daarom zinvol om kritisch te kijken naar het vaccinatieschema in de dracht.
Ras blijkt ook een belangrijke factor in de hoeveelheid antilichamen (uitgedrukt als IgG). Melkrijke rassen hebben lagere IgG waarden in de biest dan meer vleestypische rassen (Kessler et al. 2019). Ondanks dat vaak geroepen wordt dat jonge dieren een mindere kwaliteit biest hebben dan oudere dieren komt dit uit recent onderzoek niet naar voren. Jonge ooien die goed gevoerd worden zijn dus ook zeker in staat om hoge kwaliteit biest te produceren. Dieren die op de norm gevoerd worden hebben duidelijk meer antilichamen in de biest vergeleken met dieren die te weinig gevoerd worden. Overvoeren aan het einde van de dracht is ongewenst: dit verlaagt de hoeveelheid IgG in de biest weer. Het conditieverloop aan het einde van de dracht is een manier om te controleren of de dieren op de norm gevoerd worden: de conditie blijft dan gelijk.

Monitoring van de energiebehoefte aan het einde van de dracht
De makkelijkste manier om de energiebehoefte aan het einde van de dracht te monitoren is het verstrekken van energierijke likblokken (zoals de Crystallyx High Energy). Als de opname per dier per dag boven de 50 gram per dag uitkomt dan is dat een duidelijke aanwijzing dat de energiebehoefte niet meer afgedekt wordt en extra bijvoeren nodig is. Een groep van 25 drachtige ooien moet dus minimaal 18 dagen met een emmer van 22,5 kg kunnen doen.

De Brix-waarde als maat voor de biestkwaliteit
Met een Brix meter (een refractometer speciaal voor biest) kun je zelf monitoren wat de kwaliteit van de biest is. Melkveehouders gebruiken dit al veelvuldig. Voor schapen zijn nu ook normen opgesteld. De Brix waarde is sterk gecorreleerd aan de hoeveelheid antilichamen (IgG) en eiwitconcentratie in de biest. Voor vleestypische schapenrassen wordt een minimale Brix waarde van 26,5% aangehouden. Bij melktypische rassen mag dit wat lager liggen (rond de 22%).

Hoe werkt een Brix-meter?
Laat een druppel biest op het glazen plaatje vallen (melk eerst een paar stralen weg voordat je eventueel direct vanuit de speen wat biest opbrengt) en houd de refractometer voor het oog. Kijk in de richting van het licht. Er wordt een streep zichtbaar: deze geeft de 'Brix' waarde aan. Hoe hoger de waarde, des te beter de kwaliteit van de biest. Noteer deze waarden zodat je voor jezelf een overzicht krijgt van de biestkwaliteit. Zijn de Brix-waarden consequent lager dan gewenst? Dan is dat aanleiding om kritisch te kijken naar het rantsoen aan het einde van de dracht.